Castle La Latte Fort La Latte Château de la Roche Goyon
|
Zegen van Etienne III Goyon "La
Roche Goyon" of "Fort La Latte"
Historisch
overzicht
Volgens
de legende zou het eerste slot op deze rots door een Goyon zijn gebouwd tijdens
het bewind van de Hertog van Bretagne Alain à la Barbe Torte, in 937.
Met
de bouw van het huidige slot werd in de 13e eeuw begonnen door de
heren van Goyon; sinds 1209 heette deze familie, door een huwelijk met de
erfgename van de Matignons, Goyon (of Gouyon) de Matignon. Het slot werd
allereerst La Roche-Goyon genaamd.
De
slottoren en het bewoonbaar gedeelte dat in zijn huidige staat drie torens bevat,
werden in de eerste helft van de 14e eeuw voltooid. Het slot werd
vervolgens in rijke mate uitgerust door Bertrand II Goyon en zijn broer
Maarschalk Etienne IV Goyon als beloning voor hun diensten jegens de Hertog van
Bretagne Jean IV die zij in 1379 vanuit Engeland terug hadden gebracht naar
Bretagne.
Datzelfde
jaar, tijdens de poging van Karel de Vijfde om Bretagne te veroveren, werd La
Roche Goyon door Bertrand Du Guesclin belegerd. Op 23 augustus maakte deze zich
meester van het slot na een naar zijn woorden "zeer moeilijke" aanval.
Vanaf die tijd hebben de heuvels die zich váár de ophaalbrug uitspreiden er de
naam "Champ de Bataille" (Slagveld) aan over gehouden. Het slot werd
door het Verdrag van Guérande in 1380 aan Bertrand II Goyon terug gegeven.
Na
1421 werden, als gevolg van hun vereniging met het geslacht der Torigny’s, de
Goyon- Matignons belangrijke leden van het Franse Hof en woonden zij niet meer
in Bretagne. Het bevel over het -slot werd toen door een jongere broer van de
familie gevoerd die als gouverneur optrad. De wacht werd gehouden door de
plaatselijke leerplichtige edellieden, terwijl de bewoners van de parochies
onder hun beheer (Plévenon, Saint-Germain, Saint-Cast, Pléboulle, Saint-Potan,
Ruca, Henansal, Saint-Alban en Languenan) zorgden voor de uitkijk uit vrees voor
binnendringende vijanden. Al in die tijd werd in de zogenaamde Sint-
Michielskapel regelmatig de mis gelezen door de monniken var. de Abdij van
Saint-Aubin-des- Bois waarvan de Gouyon Matignons weldoeners waren.
Ten
tijde van de vereniging van Bretagne met Frankrijk werd in 1490 het slot door de
Engelse Admiraal Willoughby belegerd die van Hendrik de Zevende opdracht had
gekregen enkele landingen op de kust te ondernemen. Hij slaagde er niet in zich
meester te maken van het slot.
In
de 16e eeuw, gedurende de onlusten van de Ligue, beschikte
Maarschalk de Matignon (Jacques II Goyon), een trouwe aanhanger van Hendrik de
Vierde, hier veertig jaar lang over een bekwame en plichtsgetrouwe gouverneur,
René Léau de la Roche genaamd. Nadat de Hertog van Mercoeur Saint-Malo had
veroverd, gaf hij in 1597 een van zijn luitenants, Saint-Laurent genaamd,
opdracht om met een leger van 2.000 Spanjaarden en buitenlanders het Slot te
bemachtigen. Het Fort wist een heldhaftige weerstand te bieden; de twee voorste
gedeelten werden veroverd en in brand gestoken en alleen de slottoren bleef
staande. Na deze rampzalige belegering diende het slot, hoewel gedeeltelijk
vervallen, gedurende die troebele jaren als woning voor de bewoners van het dorp
La Latte die in het slot kleine huisjes hadden gebouwd waar zij toevlucht namen
in geval van dreiging. In die tijd droeg het slot de naam van Château de la
Latte.
Onder
Lodewijk de Veertiende, toen de kustverdediging van ons land werd
gereorganiseerd, trok deze strategische positie de aandacht van Vauban en van
zijn medewerker de Sieur de Garengeau die in 1689 op de waarde van dit slot wees
voor de bescherming van Saint-Malo. Bij het uit- of binnenvaren van deze haven
moest het voor de schepen mogelijk zijn om ’s nachts onder de bescherming van
het geschut van de vesting voor anker te gaan. Lodewijk de Veertiende besloot
het Fort la Latte te restaureren, liet het opnieuw bewapenen en een lager
gelegen artillerie-eenheid bouwen die in 1690 en 1691 werd voltooid, en voorts
herstelwerkzaamheden verrichten aan de kapel. Vanaf dit moment nam de koning het
beheer van de vesting voor zijn rekening maar de nominale suzereiniteit bleef
bij de Goyon- Matignons.
De
wacht van de vesting werd door de schutters van de parochie verzorgd, onder het
bevel van een kapitein van de kustwacht, benoemd door de koning. In tijd van
oorlog gingen dagelijks twintig man naar la Latte die om de 24 uur werden
afgelost. Verschillende malen werd het Fort door vrijbuiters beschadigd. Het
Fort speelde een rol in de slag van Saint-Cast.
In
1715 ontving het Fort la Latte hoogbezoek van James Stuart, zoon van James II,
prins- pretendent van de kroon van Engeland, in Frankrijk bekend onder de naam
van Chevalier de Saint-Georges. Hij was voornemens naar Engeland te varen om
zijn troon te heroveren en had zijn vloot opdracht gegeven om hem bij de Cap Fréhel
op te wachten; hij moest echter vanwege het ongunstige seizoen met zijn
aanhangers zes dagen in het slot blijven waarna het voor hem onmogelijk werd om
uit te varen.
De
huidige kapel werd in 1719 voor de garnizoen gebouwd.
Tijdens
de franse revolutie werden meerdere malen engelse spionnen in het Fort la Latte
gevangen gehouden.
De
oven waarin de kanonskogels werden gemaakt werd in 1795 gebouwd om de kustwacht
te hulp te komen. De kronen van beide torens aan elke zijde van de ingang zijn
in 1805 ingestort.
Het
Fort la Latte werd tijdens de cent-jours (het bewind van Napoleon tot aan
de slag van Waterloo) door sluwheid veroverd door een kleine eenheid van jonge
soldaten uit Saint-Malo onder het bevel van Heurtel, maar het werd bijna
onmiddellijk teruggewonnen door Generaal Fabre met behulp van een bataljon
mariniers. Dit was de laatste krijgsgebeurtenis van zijn geschiedenis.
Het
Fort werd in 1890 door het Ministerie van Oorlog van de militaire gebouwenlijst
afgevoerd en vervolgens tot historisch monument verklaard. Het is
achtereenvolgens eigendom geweest van de Hertog van Feltre, van l3e Heer de la
Ville le Roulx en van Professor Joüon des Longrais. Het fort werd door deze
laatste tussen 1930 en 1939 gerestaureerd toen het door de Duitsers en een
eenheid Wit-Russin werd bezet die het plunderden en ernstige schade
veroorzaakten. Na de oorlog is de restauratie, onder leiding van Hoofdarchitect
Sonnier, hervat met het herstel van de vloeren van de slottoren, de
waterdichtheid van het terras en het steeds weer voegen van de wallen, hetgeen
nog altijd doorgaat. In de kapel wordt weer de mis gelezen.
In
1957 namen cineasten uit Hollywood het Fort in tijdelijk bezit om de
wereldberoemde film "The Vikings" te draaien.
Sinds
kort is een kazemat dankzij uitgravingwerkzaamheden váár het Fort weer tot
zijn recht gekomen. Thans rust de toekomst van La Roche geheel in de handen van
een nieuwe generatie; moge zij het begonnen werk blijvend voortzetten
|